Jef & Herlinde De Vriese
 

'Gods Woord
naar harten en huizen van mensen'

 

Ons beste advies    :   Lees de Bijbel, bid elke dag

Welkom op onze site!

Artikelen

Steun ons werk

 

Gemeente - Kinderen - Opvoeding

Opvoeding van kinderen in de gemeente Artikel in pdf


Jef De Vriese

Op een studiedag van het CPC over "De beïnvloeding van het kind" sprak Jef De Vriese over de taak van de gemeente in de opvoeding van kinderen.
Veeleer dan een concreet model van een opvoedingsprogramma te bieden, legt hij in dit artikel uit wat het fundament en de visie achter elk concreet opvoedingsplan moet zijn.

Levensopvoeding
Waaraan denken we wanneer we het woord opvoeding uitspreken? En wat is er dan christelijk in de opvoeding? Gaat het om bepaalde gedragspatronen die wij als christelijk beschouwen? Of leren we kinderen een manier van christelijk denken? Of zijn het de normen en de waarden die wij hanteren en bijbrengen die onze opvoeding christelijk maken? Gaat het om niet liegen, vriendelijk zijn, gehoorzaamheid, respect voor het leven, bijbelkennis, bidden, dienstbaarheid, functioneren en betrokken zijn in een christelijke gemeente, enz.?
Het uitgangspunt van de christelijke gemeente in de opvoeding zou kunnen aansluiten bij de reden waarom de Heer Jezus in de wereld is gekomen: “Ik ben gekomen opdat zij leven hebben en overvloed” (Joh.10: 10).
“Leven” is een belangrijk thema in de Bijbel. Vanaf Genesis staat het leven in het centrum van de aandacht: de mens ontvangt leven in Genesis 1, maar ook een waarschuwing: “Ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven” (Gen. 2:17). Tot en met de laatste bladzijde van de Bijbel gaat het om de weg tot het leven: “... wie wil, neme het water des levens om niet (Openb.22:17).
Dat het hier om meer dan lichamelijk leven gaat is duidelijk. Mozes stelt het volk voor een keuze: “Zie, ik houd u heden het leven en het goede voor, maar ook de dood en het kwade” (Deut.30:15-20). Het is opvallend dat Mozes het leven verbindt met de navolging van Gods geboden. Die geboden zijn geen opgelegd keurslijf van regels, maar een levenskeuze in overeenstemming met een innerlijke werkelijkheid: voortvloeiend uit de identiteit van hen die tot Gods volk behoren: “Want dit gebod dat ik u heden opleg, is niet te moeilijk voor u en het is niet te ver weg. … Maar dit woord is zeer dicht bij u, in uw mond en in uw hart, om het te volbrengen.” Het innerlijk leven werkt zich in dit tekstgedeelte vanzelfsprekend uit in de navolging van de geboden.
David spreekt over een pad des levens: “Gij maakt mij het pad des levens bekend (Ps.16:11)”. De bron van dat leven is in God zelf: “Want bij U is de bron des levens (Ps.36:10).
Zo is dan Christus de weg, de waarheid en het leven. Hij is het pad. Zijn woorden zijn geest en leven (Joh.6:63). Vanuit de bron van levend water die Hij uit ons binnenste doet vloeien (Joh.7:38), wordt het leven van God in zijn gemeente zichtbaar.
Christelijke opvoeding moet gedefinieerd worden vanuit dit leven. Het is het ontvangen, bezitten en uitwerken van dat leven, dat de christelijke gemeente onderscheidt van de ongelovigen. De gemeente is een gemeenschap van mensen die het leven van God met elkaar delen. Dat maakt haar verschillend van alle menselijke instellingen.
Christelijke opvoeding moet dus uitgaan van de mens als schepsel Gods, en van het feit en de gevolgen van de zondeval, maar ook van de weg tot verzoening met God en de daaruit voortvloeiende gevolgen voor het herstel van relaties, het uitwerken van liefde, de mogelijkheid om te groeien naar het beeld van Christus, enz.
Merk op dat het wezen van de christelijke opvoeding niet gaat om een herstel of opwaardering van onze “menselijke functies”. Geestelijke en ongeestelijke mensen hebben een gemeenschappelijke identiteit: het schepsel zijn. Nieuw leven maakt de gelovige niet “meer menselijk”, verbetert niet iemands intellectueel vermogen, maakt hem geen betere schrijnwerker, enz., en verandert niet wezenlijk de wijze waarop mensen leren en groeien. Gelovigen en ongelovigen hebben een gezamenlijke menselijkheid.
Het unieke van de christelijke opvoeding bestaat er in dat het er op gericht is een kind binnen te leiden in het vermogen de zin van het leven, zoals God dat bedoeld heeft, te begrijpen en daaruit te leven. Christelijke opvoeding is overdracht en stimulatie van “geloof-als-leven”.

Levensgemeenschap
Een belangrijk element van dit leven is dat het niet uitsluitend gaat om het leven van het individu, maar tegelijkertijd om een gemeenschappelijk leven in de gemeenschap van Gods volk of Gods gezin. Wie gelooft heeft eeuwig leven (individueel), maar is ook toegevoegd aan het lichaam om daarin te functioneren.
Ook het Oude Testament legt de nadruk op de gemeenschappelijkheid van het volk. Individuen behoorden tot een stam, horen thuis in een reeks van geslachten en in een gezin. God ziet een gezin als een eenheid die gezegend wordt, of vervloekt, zelfs omwille van de zonde van één lid (bv. Achan in Jozua 7). Zo had, bijvoorbeeld, de zonde van David haar gevolgen voor zijn gezin en de volgende geslachten.
Dit betekent dat christelijke opvoeding nooit beperkt kan blijven tot het individu. Christelijke opvoeding moet zich bezig houden met de processen in het lichaam van Christus die zowel individuele als gezamenlijke groei tot stand brengen. Individuen, en dus ook kinderen, kunnen niet geïsoleerd van de gemeente of geïsoleerd van hun gezin van oorsprong behandeld worden. Kinderen moeten geholpen worden zich te integreren in het gezin en in de gemeente. De gezinnen en de gemeente moeten aandacht besteden aan het integreren van kinderen in hun gezamenlijk functioneren.
Indien het bovenstaande klopt, zijn er reeds enkele accenten zichtbaar voor de taak van de gemeente in de opvoeding van kinderen. (1) Het uiteindelijke doel van die opvoeding is leven, niet gedragsverandering, regels navolgen, geloofskennis opdoen, enz. (2) Het opvoedingsproces van een kind is niet uitsluitend individueel, maar naar de gemeenschap gericht (integratie van kind en gemeenteleven). (3) Het opvoedingsproces van kinderen kan niet los staan van opvoedingsprocessen van volwassenen, verschillende leeftijdsgroepen, enz.
Een christelijke opvoeding moet steunen op een globaal opvoedingsconcept, dat uitgewerkt wordt in een opvoedingsstrategie die volwassenen en kinderen, kinderen en ouders, gemeente en gezin, enz., integreert.

Levensdoel
Het uiteindelijke doel van het christelijk leven is de gelijkvormigheid aan het beeld van Christus (Rom.8:29).
Het ontvangen leven moet groeien. Christelijke opvoeding ondersteunt levensheiliging. Dit groeiproces is het in de praktijk omzetten van het ontvangen leven in Christus en het Christus gelijkvormig zijn in de praktijk. Het gaat dus over meer dan het overdragen van kennis of morele regels: het laten opwassen van de identiteit in Christus.
Het doel van de opvoeding in de gemeente is niet een “product” (kinderen die zich aan de regels houden, verzen van buiten kennen, enz.), maar een levenshouding. Opvoeding in de gemeente moet kinderen in staat stellen te groeien in het heiligingproces. Het is duidelijk dat het hier om meer gaat dan om de uiterlijke gedragsaanpassing of een oppervlakkig aanleren van christelijke gedachten.
Dit groeiproces is een collectief gebeuren, waarin de leden van de gemeente zich inschakelen overeenkomstig hun gaven. Opvoeding van kinderen gaat dus niet uitsluitend over opvoeding in geloof (in de strikte betekenis van het woord), maar opvoeding tot heilzaam functioneren in de geloofsgemeenschap, op alle vlakken van het leven. Dat geldt ook voor kinderen! De schriftgedeelten die ingaan op de groei van het lichaam van Christus leggen het accent op de inzet van de individuele gaven tot opbouw van het geheel (zie b.v. Ef.4:16)! En het zijn niet uitsluitend de volwassenen die geestesgaven bezitten!

Enkele gevolgen voor de opvoeding van kinderen
Kinderen die niet wedergeboren zijn kunnen wel een christelijke opvoeding krijgen, maar niet wezenlijk in dit opvoedingsproces opgenomen worden; aan hen moet het evangelie verkondigd worden. Een belangrijke taak voor de gemeente is dan ook evangelisatie aan kinderen die zich zowel binnen de kring als buiten de kring van de gemeenterelaties bevinden. Gemeenten moeten investeren in de organisatie van kinderclubs, de opvang van kinderen die thuis te weinig aandacht ontvangen, enz. Ze moeten momenten inbouwen waarin kinderen die christelijk opgevoed zijn geholpen worden, niet alleen gehoorzaam te zijn aan de verwachtingen van hun ouders of de morele wetten van de Schrift, maar ook tot een zelfstandige keuze voor Christus te komen, enz. Waarom moet het steeds zo zijn dat de wereld onze kinderen beïnvloedt? Kan het niet omgekeerd? Ligt er bij de gemeente geen evangelisatie-verantwoordelijkheid, ook voor kinderen?
De gemeente heeft een programma nodig waarin aan kinderen niet alleen kennis wordt overgedragen. Bijbelkennis, als een verstandelijk geloofssysteem, is onvoldoende. Kinderprogramma’s moeten leven overdragen. Wat geleerd moet worden, is het hanteren van de Schrift als bron van wijsheid en richtsnoer hoe in Gods koninkrijk te leven. Ook moet aandacht besteed worden aan het ontdekken en inzetten van de geestesgaven ten dienste van het lichaam van Christus: enerzijds in de kindergroep; anderzijds naar het geheel van de gemeente; en ook naar de toekomstige functie in het lichaam (welke gemeente is op zoek naar oudsten, diakenen, evangelisten, enz., bij de kinderen?). Welke gemeente laat hun kinderen zich ontwikkelen in het uitoefenen van hun geestesgaven?
Het Woord van God moet in de gemeente niet alleen onderwezen, maar ook geleefd worden. Het is belangrijk WAT er wordt geleerd, maar even belangrijk HOE het Woord aan de kinderen wordt voorgeleefd.

Stellingname
Het wezen van het geloof is leven. Het doel van het leven is Christus-gelijkvormigheid. Het ideale klimaat voor die groei is het lichaam van Christus, waarin gelovigen met elkaar functioneren vanuit het levende woord van God.

Hoe wordt leven overgedragen?
Observeer hoe Jezus geloof-als-leven overdroeg:
“En Hij stelde er twaalf aan, opdat zij met hem zouden zijn en opdat Hij hen zou uitzenden…” (Marc.3:12).
“Al wie volleerd is zal zijn als zijn meester” (Luc.6:40b).
Christelijke opvoeding probeert kinderen te laten worden wat de volwassenen zijn. Het voorleven van het leven, draagt het leven over, zodat de leerling gaat leven zoals de leraar doet, of: zodat een kind gaat leven zoals de volwassene doet.
Christelijke opvoeding gaat dus over meer dan kennisoverdracht of het aanleren van christelijk gedrag. Het is een interpersoonlijk proces waarin de volwassenen de kinderen meenemen in allerlei levenssituaties, en door de wijze waarop ze daarin zelf functioneren een proces van discipelschap op gang brengen. De oproep van volwassenen tot gehoorzaamheid van kinderen, heeft de beste kans op slagen wanneer die gehoorzame afhankelijkheid aan God door de volwassene wordt voorgeleefd.
Voor de opvoeding van kinderen in de gemeente heeft dit als gevolg dat de gemeente niet alleen een programma van bijbelkennis moet aanbieden, maar ook van omgang met elkaar in allerlei levenssituaties. De opvoeding van de kinderen begint niet in de bijbellessen van de zondagsschool, maar in de wijze waarop de volwassenen in de gemeente en in de gezinnen de Bijbel leven. Wanneer de discipelen aan Jezus vragen hen te leren bidden houdt hij geen redevoering over het gebed, maar leeft Hij hen in het “Onze Vader” een voorbeeld voor. Het voorbeeld roept op tot navolging.
Het is duidelijk dat het gezin in een dergelijke opvoedingsstrategie centraal staat. Deuteronomium 6 is een sleuteltekst die duidelijk maakt dat opvoeding een levenshouding is (“in uw hart”), die onderwezen wordt (overdracht van het Woord dat levend is in het hart van de onderwijzer) binnen een levensvernieuwende relatie in de context van het dagelijks leven (wanneer gij zit, opstaat, enz.). Opvoeding in de gemeente moet geïntegreerd zijn met opvoeding in het gezin.
Als het wezen van het geloof leven is, dan moet ook de gemeente het leven met God integreren in de context van elke dag. Opvoeding in de gemeente moet dan ook meer zijn dan een zondagklasje vol kennis-geloofsoverdracht (en zeker meer dan een verhaaltjestijd). De gemeente moet haar onderwijs integreren in het dagelijks leven van de kinderen, en dus ook in het gezinsgebeuren, en omgekeerd: gezinnen moeten het gemeentegebeuren integreren in hun dagelijks opvoeding. Het gezin is een noodzakelijke weg en voedingsbodem om opvoeding tot geloof-als-leven te bereiken.

Klas-onderwijs in de gemeente
Stereotype zondagsschoolklasjes leggen meestal het accent op het van buiten leren van teksten (vaak met moeilijke woorden die kinderen niet verstaan), doeactiviteiten (kleuren, knutselen, enz.) en moraliserende verhalen (de bijbelverhalen als aanleiding voor moraalles).
Dit traditioneel onderwijsmodel is eerder cognitief. Geloofsopvoeding wordt daardoor gauw overdracht van geloofskennis via bijbelverhalen. Het zal nu duidelijk zijn dat het in de christelijke opvoeding wezenlijk gaat om overdracht van geloofsleven, gebaseerd op de waarheid van Gods Woord dat het pad des levens bekend maakt. Het klimaat waarin dit gebeurt is dat van de liefdesrelaties in de gemeente.
Problemen met exclusief verbaal onderwijs voor kinderen zijn dat verbaal onderwijs vaak leidt tot abstracte kennis-inhoud, die voor kinderen moeilijk te vatten is. Bijbelverhalen uit een ver verleden en in een andere cultuur zijn voor kinderen vaak moeilijk om te zetten in de tegenwoordige tijd. Kennisoverdracht van de Bijbel gebeurt ook vaak in een “goed-slecht-klimaat”: er worden van buitenaf normen en waarden opgelegd die nagevolgd moeten worden.
Is de Bijbel dan te moeilijk om aan kinderen uit te leggen? Niet indien degelijke onderwijsprogramma’s een goede selectie maken van bijbelse gegevens die belangrijk zijn. Wat moet een kind op welke leeftijd weten? Hoe is de overdracht van die inhoud afgestemd op een leeftijdsgroep (afhankelijk van diens intellectuele en gewetensontwikkeling, sociale vaardigheden, enz.). Heeft de opvoeder hierbij kennis van de ontwikkelingspsychologie (bv. internalisering van normen en gewetensontwikkeling).
Het belang van bijbels onderwijs via de zondagsschool, en de oproep tot gehoorzaamheid aan de bijbelse normen, staat hier niet ter discussie. Waar het om gaat is dat de rol van de gemeente meer is en moet zijn dan het overbrengen van geloofsinhouden en het doen naleven van de geboden.
Het onderwijs in de gemeente moet kinderen duidelijk maken dat waarheid bestaat (het gaat niet over “verhalen”) en dat de inhoud van de waarheid ontzettend belangrijk is. Bovendien moet het bij de kinderen tot het inzicht leiden dat geestelijk groeien en opgevoed worden de integratie van die waarheid betekent in de eigen persoon. In dit proces staat de Bijbel als uitgangspunt centraal, is het de toetssteen van het dagelijks leven en de maatstaf voor de bereikte groei.

Enkele richtlijnen
Leg in de zondagsschool, in de kinderclub, in het tienerwerk, enz., het einddoel op de overdracht van “geloof-als-leven”. Heb dus niet de overdracht van kennis en uiterlijke gedragsverandering als doel.
Rust de natuurlijke voorbeelden van de kinderen (ouders) toe voor de overdracht van “geloof-als-leven”.
Verander de rol van opvoeders in de gemeente van traditionele “schoolmeesters” naar het model van een geloofsvriend.
Verbindt de inhoud van het geloof met de levende betekenis die het heeft voor het dagelijks leven, zodat het meer wordt dan informatie die geloofd moet worden.
Creëer gelegenheden waarin kinderen en volwassenen zowel affectief als cognitief informatie kunnen uitwisselen in verschillende relaties (ouder-kind; leider-kinderen; kinderen-kinderen), waarin geloof-als-leven centraal staat.

Gevolgen voor onderwijsprogramma’s in de gemeente
De opvoeding moet zo opgezet worden dat de programma’s van kinderen en ouders elkaar beïnvloeden. Naast de inhoud moet er een weg gezocht worden om de levenspraktijk van het leven met God met elkaar te delen, te beleven, in het dagelijks leven te bespreken, te ondervinden, enz.
Naast programma’s voor leeftijdsgroepen afzonderlijk moet er nagedacht worden over hoe die programma’s de verschillende leeftijdsgroepen helpen met elkaar om te gaan. Ze moeten kinderen en volwassenen stimuleren om ook buiten de gemeente-setting met elkaar om te gaan en de opvoedingsdoelstellingen thuis verder uit te werken. Dit betekent dat er overleg moet zijn met de ouders (ouderavond, oudergroep; maar ook: volwassenen trekken met jongeren op in bv. evangelisatie, enz.).

Onderwijs van geloofsinhoud
De Schrift moet het fundament en de bron van het leven zijn. Dit betekent dat er verstandelijke overdracht van informatie is, maar tegelijkertijd dat die geïntegreerd moet zijn in het hele functioneren van de persoon (emotioneel, relationeel, motivatie, enz.) en dat de onderwijsmethode via de levenspraktijk van de opvoeder moet verlopen. Geloofskennis moet uitmonden in geloofswijsheid in actie.
Geloofsleven is dus niet geloofservaring los van het Woord, maar geloofspraktijk vanuit het Woord. Het gaat hier niet om een geloofservaring die zich ontwikkelt los van het objectieve Woord van God.
Geloofsinhoud onderwijzen is niet de communicatie van waarheid die niet relevant is voor het leven, maar van geloofswaarheid die leidt tot een waarachtig leven.
Christelijke opvoeding in de gemeente is niet bijbelverhaalvertelling, met kennis van feiten, waar dan achteraf een morele implicatie bij wordt verteld, maar communicatie van bijbelse principes in het dagelijks leven, in de dagelijkse praktijk van de kinderen nu.
Klassiek krijgen kinderen een bijbelverhaal: een bijbelse figuur, met een voorbeeld en een opdracht: "Zo moet ook jij nu leven"….
Geloof-als-leven wordt beter gecommuniceerd indien wordt uitgegaan van bijbelse principes (de Schrift als bron van levensprincipes), waartegen levenservaringen besproken, geëxploreerd en geanalyseerd worden (eigen ervaringen nu, vroeger, van mensen in de Bijbel, van anderen in de gemeente, enz.), en waarbij de Bijbel als maatstaf gebruikt wordt om de eigen levensstijl te toetsen.
Christelijke opvoeding benaderen als overdracht van geloofsleven, betekent niet dat de Bijbel niet onderwezen wordt, maar dat het onderwijs ervan verloopt via de begeleiding die de volwassene geeft bij de dagelijkse levenspraktijk van het kind. Kinderen hoeven niet alles te begrijpen wanneer ze de Bijbel lezen, maar ze moeten wel ondervinden dat de levensprincipes die de volwassenen hanteren uit de Schrift komen. Zodoende moeten niet alleen de verhalen worden onderwezen, maar ook de belangrijke bijbelse thema’s, ook de “moeilijke stukken”. Zo is het, bijvoorbeeld, een goede en noodzakelijke doelstelling, om aan kinderen de betekenis van Romeinen 6, 7 en 8 te onderwijzen. Deze geloofsinhoud kan onderwezen worden in een levenspraktijk. Met een kind hoef je niet aan te komen met een ingewikkelde theologische verklaring van dit tekstgedeelte, maar ze kunnen perfect de betekenis daarvan vatten indien het geloof zichtbaar wordt als leven, als dagelijks leven, als dagelijkse levenswerkelijkheid.
Het op deze wijze communiceren van een geloofsinhoud maakt het relationeel kader ontzettend belangrijk. De warme en liefdevolle relaties met de opvoeder doen dienst als groeiklimaat waarin de opvoeder als model functioneert. Opvoedingsprojecten in de gemeente moeten interactie tot stand brengen tussen kind en ouder, tussen ouder en zondagsschoolleider, tussen gemeenteleider en ouder, tussen kind en kinderwerker, enz. In al die relaties staat de relatie met God centraal. Geloof en leven kan onmogelijk zonder relatie. Geloofsinhouden kunnen niet overgedragen worden zonder hun relationele implicaties.
Binnen al deze relaties krijgen kinderen de gelegenheid hun emoties, gedachten, ervaringen, enz., tot uitdrukking te brengen en deze te spiegelen aan de emoties, gedachten, ervaringen van de volwassene die geleerd heeft deze te verbinden met bijbelse principes. Het gaat dan ook niet om “ik ervaar het zus”, en “jij ervaart het zo”, maar om een toetsing van de eigen ervaringen aan de Schrift, en het tonen hoe de Schrift werkzaam is in het dagelijks leven.
Dit betekent dat het delen van geloof tussen volwassene en kind, en tussen ouder en kind gestimuleerd moet worden. Zo kunnen waarheid en geloof overgedragen worden in een relationele context waarbinnen de exploratie van het eigen innerlijk leven gestimuleerd wordt en getoetst wordt aan hoe de Schrift werkzaam is in anderen die als voorbeeld dienen.
Indien het delen van geloof tussen opvoeder en kind gestimuleerd wordt, moet dit verder bouwen op, en een aanvulling zijn van, wat de ouders met hun kinderen thuis delen. Programma’ voor volwassenen moeten synchroon lopen met en afgestemd zijn op die voor kinderen en omgekeerd. Het is nuttig om hierbij een maximum aan individualisatie na te streven. Hoe algemener het onderwijs, hoe vager de toepassing. Kan er een accentverschuiving plaats vinden van groepsonderwijs naar individueel en gezinsonderwijs? Is er individuele aandacht voor het kind mogelijk, of draait de zondagsschooljuf klassikaal haar verhaaltje af?

Gevolgen voor de gemeente-setting
De gemeente moet voorzien in samenkomsten gericht op mensen die tot dezelfde groep behoren (samenkomsten voor ouders, kinderen, alleengaanden, enz). Tegelijkertijd moet de uitwisseling van geloof-als-leven ook over de leeftijdsgroepen en over de sociale groepen heen gebeuren. De gemeente is essentieel een gemeenschap waarin de leden hun geloof met elkaar delen. Het is een levend organisme waarin de leden elkaar opbouwen, aanvullen, tot voorbeeld zijn, enz. Kinderen kunnen zodoende van ouderen leren, maar in de voorbeelden die ze zien ook hun identiteitsontwikkeling spiegelen, een “fan” worden van een geloofsvoorbeeld dat ze willen navolgen, enz. Kinderen moeten in de gemeente de ervaring opdoen dat ze tot een grote groep te behoren. Gemeentesamenkomsten moeten georganiseerd zijn als een gezinsgebeuren voor alle leeftijden en tegelijkertijd de kans bieden dat jongeren van dezelfde leeftijd met elkaar kunnen optrekken en opgevoed worden op hun eigen niveau.
Kinderen moeten op hun leeftijd afgestemd onderwijs ontvangen. Zondagsscholen dienen niet om de kinderen bezig te houden terwijl de volwassenen in de dienst zitten. Kinderwerk moet strategisch en gestructureerd uitgebouwd zijn, met goede lesplanning, inspelend op actuele thema’s, preventie van pastorale problemen, enz.
De leraar-leerling-verhouding moet breder gedefinieerd worden. De leraar is niet alleen diegene die de controle uitoefent, het gezag vertegenwoordigt, enz. In de gemeente moet de leraar ook diegene zijn die liefdevolle relaties stimuleert tussen hemzelf en de kinderen, en ook tussen de kinderen onderling. Verder is hij ook open over zijn eigen innerlijk leven dat hij laat zien als voorbeeld.
Om deze rol te kunnen spelen, moeten volwassenen zich inleven in de wereld van kinderen. Discussies hoeven niet geschuwd te worden. Gezonde confrontaties tussen de leefwereld van kinderen en die van volwassenen zouden moeten leiden tot respect. Aan een vertrouwensrelatie moet gewerkt worden. Dit betekent dat de volwassene niet steeds klaar staat met een moraliserende reactie, maar als het ware met de jongeren meegaat naar “Emmaüs”, zodat die later de weg vinden naar “Jeruzalem”. Dit neemt tijd, vergt bereikbaarheid en beschikbaarheid. Vertrouwen groeit naarmate men meer met elkaar omgaat.
Praktisch:
Mag een kind naar u telefoneren? Wat communiceert u naar een kind met uw lichaamshouding (afwijzing, geen tijd, betrokkenheid, enz.)? Bent u bereid iets van uzelf te delen dat voor het kind zinvol is? Let op kleine houdingen: schouderklopje, knipoog, goede dag zeggen (niet alleen tegen volwassenen). En let ook eens op wat hiervan het gevolg is voor de ouders (ouders die merken dat je contact met hun kind zoekt reageren daar op).
Bid u wel eens (individueel en samen met de andere leiders) voor de kinderen waarvoor u zorg draagt? Zo ontwikkelt u liefde voor hen, maar oefent u ook wezenlijke geestelijke invloed uit.
Gemeenteleiders moeten functioneren als volwassen vrienden van de kinderen. Oudsten, voorgangers, jeugdleiders, diakenen, moeten respect en vriendelijkheid naar kinderen communiceren, hun verantwoordelijkheid opnemen in de zorg van de kinderen (die behoren ook tot de gemeente!), de persoonlijke noden van kinderen erkennen, enz. Op die manier brengen zij ook identificatiemogelijkheden tot stand. Modelfuncties zijn belangrijk.
Praktisch:
Besteed na elke samenkomst expliciet aandacht aan minstens één kind.
Wees op de hoogte van de dingen die kinderen en jongeren bezig houden.
Als u weet dat het in een gezin moeizaam gaat met een ouder, legt u dan wel eens contact met de kinderen? En wat wilt u dan bereiken? (Bijvoorbeeld: bij een overlijden krijgen volwassenen veel aandacht, kinderen zelden, alhoewel ze ook met een rouwproces zitten).
Het geloof delen tussen volwassenen en kinderen moet gestimuleerd worden. De betekenis van bijbelse principes voor het leven van een kind moet immers verduidelijkt worden in het kader van een interpersoonlijke relatie.
Praktisch:
Schakel kinderen en jongeren in in de samenkomsten. Dit moet niet zo gebeuren dat op dat moment één leeftijdsgroep uitgeschakeld is wanneer de ander wat doet. De samenkomst is een gezinsgebeuren dat het hele leeftijdsgamma aanspreekt.
Wees echt en oprecht in wat u met kinderen deelt. Zij zijn heel gevoelig voor hypocrisie! Laat ook eens merken dat u het moeilijk hebt.
De ouders moeten onderwezen worden hoe ze hun kinderen het geloof voorleven in woord en daad. Wat zien kinderen wanneer ze kijken en dit vergelijken met wat ze horen? Welke levensvragen houden kinderen bezig? Leren ouders hierover te communiceren (seks, verslaving, mode, enz.). Hoe praat je in het dagelijks leven over de Bijbel? Enz.
Werk programma’s uit die lerend, ondersteunend naar de gezinnen en naar de alleengaanden (weduwen en wezen) toe zijn.
Organiseer een getuigenisdienst waarin niet alleen de volwassenen, maar ook de kinderen iets delen. Zorg voor gelegenheden waarop kinderen hun geloof met elkaar delen en stimuleer hen om dat te doen wanneer het niet georganiseerd is. Zo krijgt de geloofsinhoud betekenis door het delen ervan in de levenspraktijk.

Gevolgen voor de gezinssituatie
Ouders moeten gepaste modellen zijn van geloofsleven. De sleutel van het opvoedingsproces ligt niet in de loutere overdracht van informatie, maar in de communicatie van de geloofsinhoud via een geloofsleven dat een voorbeeld is. In de gemeente kan dit, door de beperkte tijd, niet volledig gerealiseerd worden, maar de gemeente moet de gezinnen daarin wel ondersteunen en stimuleren.
Ouders moeten de verantwoordelijkheid op zich nemen voor de geloofsopvoeding van hun kinderen. Het succes van opvoeding in de gemeente hangt af van de bereidheid van de ouders om hierin hun verantwoordelijkheid op te nemen.
Ouders moeten geholpen worden om met hun kinderen betekenisvolle relaties aan te gaan die de communicatie van geloof-als-leven bevorderen. (Al te vaak sluiten ouders hun innerlijk af voor hun kinderen; of minimaliseren ze de ervaring van kinderen). Ouders moeten zich niet alleen opstellen als gezagsfiguren die gehoorzaamheid vragen, maar ook als voorbeelden die met hun kinderen meeleven en vanuit die levensrelatie hun geloofsleven overdragen.
Ervaringen opdoen van geloof-als-leven, die ouders met hun kinderen kunnen delen, moeten aanbevolen, georganiseerd en aangemoedigd worden.

Enkele aandachtspunten voor pastoraat
In een gemeente waarin dit relationele kader geschapen wordt, en mededeelzaamheid van geloof en leven vanzelfsprekend wordt, is de openheid voor pastorale gesprekken en opvang niet moeilijk te stimuleren en tot stand te brengen.
Aandacht voor weduwen en wezen
In een complexe maatschappij, waarin het gezin steeds meer onder druk komt, moet de gemeente oog hebben voor kinderen die in hun gezin in problemen verkeren. Steeds meer kinderen worden opgevoed door één ouder (na echtscheiding), een ouder die hun ouder niet is (stiefouder na echtscheiding en hertrouwen) of na opgegroeid te zijn in omstandigheden waarin de ouder bewust gekozen heeft voor een alternatief voor het huwelijk (bewust ongehuwde moeders, lesbische of homo-ouders, enz.).
Op welke wijze ondermijnt carrièreplanning en materialisme de aandacht voor gezinsrelaties en voor het investeren in de opvoeding van de kinderen? In welke gezinnen is één of zijn beide ouders in behandeling voor persoonlijke problemen, en wat zijn de gevolgen van de nood van de ouders op de opvoeding van deze kinderen? Misschien zijn de kinderen in deze gezinnen geen wezen in de juridische betekenis van het woord, maar wel in de praktijk: kinderen die alleen staan. Wie in de gemeente besteedt aandacht aan kinderen van wie een ouder overleden is? Zijn er gezinnen in de gemeente die hun deur open willen zetten om dergelijke kinderen op te vangen, of voor deze kinderen beschikbaar te zijn? Wie nodigt deze kinderen uit om met de eigen kinderen te spelen, een lekker ijsje te komen eten, enz.
Aandacht voor probleemgezinnen
In steeds meer gezinnen komen relaties onder druk te staan. Kan de gemeente helpen indien bij ouders problemen liggen rond verslaving (drugs, alcohol, enz.), geweld (mishandeling, slaan, enz.), het overschrijden van seksuele grenzen (incest, vrije seks, enz.). Zijn de ouders aanspreekbaar, en hoe kan een kind in dergelijke omstandigheden opgevangen worden door de gemeente?
Hulp in tuchtiging
De oproep die de Schrift aan kinderen doet is er één van gehoorzaamheid aan de ouders. Het gebeurt dat ouders, ondanks dat ze alles doen wat ze kunnen, er niet in slagen hun kinderen in de rechte sporen te houden. In Israël werd een dergelijk kind voor de oudsten van de stad gebracht (Deut.21:18). Kan de gemeente tegenwoordig ook zo’n rol spelen? Tuchtiging is in eerste instantie een taak van de ouders, maar de gemeente moet hen daarin onderwijzen, ondersteunen, en soms mee helpen door de betrokkenheid van jeugdleiders in de opvang van zo’n kind, en soms door de betrokkenheid van de oudsten.
Dit kan alleen indien de ouders en de gemeente als geheel oog hebben voor het belang van tucht. Tegenwoordig is dat niet vanzelfsprekend. Gebrek aan tucht (opvliegendheid, immoraliteit, enz.) in de gemeente kan hele gezinnen overhoop halen (Titus 1:11)
Pastoraal overleg
Dit laatste punt laat de noodzaak zien van degelijk overleg. Wanneer een kind met een probleem zit, moet het daar niet meteen in het openbaar op aangesproken worden. “Wat zie jij plots rood, heb je het daar misschien moeilijk mee?”, is een uitspraak waarmee je een kind voor schut zet en vertrouwen ondermijnt. In zekere zin kan met een kind een procedure bewandeld worden die lijkt op de tuchtprocedure in Matteus 18: eerst onder vier ogen, en pas later anderen erbij. Is hier overleg tussen ouders en kinderleiders? Is er overleg tussen kinderleiders en oudsten (misschien zijn de oudsten al met het gezin bezig of is er pastorale informatie beschikbaar die de kinderleider kan helpen in de aanpak van een kind, enz?) Discretie en vertrouwelijkheid zijn principes die ook gelden in de omgang met kinderen. Heeft de gemeente een strategie hoe dit bereikt wordt? En dit zonder de gezagsstructuur van het gezin en de vrerantwoordelijkheid van de ouders aan te tasten?
Onderricht aan kinder- en jeugdleiders.
Beleg studietijd over echtscheidingsproblematiek, identiteitsontwikkeling, incest, enz. (Organiseer een avond over een onderwerp, een cursus, een bespreking van pastorale onderwerpen en hoe er mee kan omgegaan worden, enz.). Is jeugd- en kinderpastoraat ingeweven in het pastoraal beleid en het functioneren van het pastoraal team in de gemeente?
Gebed
Wordt er voor de kinderen gebeden? Staan op de bidstonden alleen verlanglijstjes van volwassenen? Bidden kinderwerkers voor de kinderen die hen toevertrouwd zijn, ook speciaal indien er pastorale problemen zijn?

Opdracht
Stel dat u wordt uitgenodigd door een gemeente om een evaluatie te maken van de opvoeding die de gemeente geeft aan de kinderen.
Stel dat de verantwoordelijken u een overzicht geven van het aantal kinderen, de verdeling qua leeftijdsgroepen, de groei van het aantal kinderen in de klasjes in de loop van de laatste 10 jaar, enz. Stel dat u inzicht krijgt in een zendingsproject dat de kinderen financieel ondersteunen en hoe de financiën daarvoor positief ontwikkelen, het percentage van de kinderen dat zich uiteindelijk heeft laten dopen of belijdenis doet, enz.
1. Hoe belangrijk is deze informatie in uw evaluatie van de bediening die de gemeente heeft voor de kinderen, indien uw aandacht vooral uitgaat naar de groei van de kinderen naar het beeld van Christus?
2. Welke informatie zou u willen hebben om geestelijke groei en volwassenheid bij de kinderen na te gaan? Kunt u, gebaseerd op de Schrift, criteria aangeven die gebruikt kunnen worden om geestelijke volwassenheid te meten?
3. Kunt u dan (gebaseerd op punt 2) een aantal doelstellingen aanbevelen die voor de bediening van de gemeente voor de kinderen belangrijk zijn, aangevuld met een praktisch voorbeeld om ze te bereiken?

LITERATUUR
Dit artikel is gebaseerd op ideeën uit:
Arie BAAK, De zorg van de gemeente voor het kind, Toespraak gehouden op 27/09/96 voor Stichting Chris.
L.O. RICHARDS, A Theology of Christian Education, Ministry Resources Library, afdeling van Zondervan Publishing House, Grand Rapids, USA, 1975.

 

Top!

 

 

Samen op de sofa

Gespreksthema's
voor echtparen


Meer info

Recent geplaatst

19/09/17 - Bijbels dagboek week 39
15/09/17 - Bijbels dagboek week 38
11/05/11 - Gedicht 'Lijden'
01/12/16 - Lied 'Vertrouw op de HEERE'

Het Laatste Woord

Het gezin is een noodzakelijke weg en voedingsbodem om opvoeding tot geloof-als-leven te bereiken.

Blijf op de hoogte!

Volg ons op FacebookaVolg ons op TwitteraLinkedIna luister op SoundClouda podcast op iTunes  

 

Copyright www.devriese.eu. All Rights Reserved

Bijbels Dagboek - Gedichten en Muziek - Vragen - Echtscheiding en Hertrouwen - Geestelijk leven - Gemeente - Gebed - God - Huwelijk - Leiderschap - Lijden -
Opvoeding - Pastoraat - Pastorale Counseling - Postmodernisme - Relaties - Samen op de sofa - Seksualiteit - Vergeving - Vrouw